Leerdam lag in de Middeleeuwen op een belangrijke en strategische plaats in het machtsgebied van de heren van Arkel, tussen Holland en Gelre in. Het stadje had in de 15e en 16e eeuw veel te lijden van de Arkelse en Gelderse oorlogen.
De Oude Hollandse Waterlinie ontstond in de Gouden Eeuw (1600-1700) en moest het regeringscentrum (Den Haag) en het economische centrum (Amsterdam) in het gewest Holland beschermen. Een laag water van bij circa 30 bij 50 centimeter zou het land voor een leger onbegaanbaar en voor schepen onbevaarbaar maken. Deze linie liep van Noord-Brabant tot aan de Zuiderzee bij Muiden. Bij de doorgangen – zoals dijken en wegen – lagen vestingsteden en kleinere verdedigingsposten. Deze vestingsteden werden eind 17e eeuw extra versterkt met grachten en wallen.
Toen op 12 juni 1672 het Franse leger met 120.000 man de Republiek binnenviel, werd een enorm gebied tussen Biesbosch en Zuiderzee onder water gezet. Deze waterlinie werd een succes, maar het onder water zetten veroorzaakte ook heel veel schade en ellende, vooral voor de boeren.